Het aantal mensen met de eetstoornis boulimia nervosa blijkt de afgelopen dertig jaar sterk afgenomen. Dat blijkt uit een recent onderzoek van psychiater Frédérique Smink die volgende week promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het aantal mensen met de eetstoornis anorexia nervosa blijkt de afgelopen dertig jaar vrij stabiel gebleven. Uit het onderzoek blijkt verder dat jezelf er goed uit vinden zien op latere leeftijd beschermt tegen het ontwikkelen van een eetstoornis en aardig gevonden worden door klasgenoten juist de kans vergroot op het ontwikkelen van een eetstoornis.
Eetstoornissen ontstaan in de meeste gevallen in de puberteit. Smink keek naar het aantal nieuwe gevallen van anorexia nervosa en boulimia nervosa in Nederlandse huisartsenpraktijken door de tijd heen en naar welke eetstoornissen het meeste voorkomen onder Nederlandse adolescenten. Verder onderzocht zij of sociale status in de vroege adolescentie (11 – 13 jaar) een risicofactor vormt voor latere eetproblemen.
Uit het proefschrift van Smink blijkt dat het aantal nieuwe gevallen van boulimia nervosa de afgelopen dertig jaar aanzienlijk is gedaald, terwijl dat van anorexia nervosa vrij stabiel is gebleven. Volgens Smink is dit te wijten aan het feit dat boulimia gevoeliger is voor socioculturele ontwikkelingen die zich in deze periode hebben voorgedaan, zoals de stijging van de gemiddelde body mass index (BMI) van de bevolking. Het is vandaag de dag hierdoor normaler om overgewicht te hebben dan 30 jaar geleden, waardoor volgens haar de druk om te compenseren na een eetbui is afgenomen. Smink zegt dat compensatiegedrag de kern is van boulimia nervosa.
Preventie en zelfhulp in combinatie met een snellere toegang tot het internet hebben mogelijk ook bijgedragen aan een daling van het aantal mensen met boulimia nervosa.
Onder Nederlandse adolescenten zijn anorexia nervosa en eetbuistoornis bij meisjes en eetbuistoornis bij jongens de meest voorkomende eetstoornissen. In de meeste gevallen werd de eetstoornis niet onderkend door de geestelijke gezondheidszorg.
Smink keek ook naar de invloed van sociale status in de vroege adolescentie (11-13 jaar) op de ontwikkeling van een eetstoornis. Hieruit blijkt dat kinderen die zichzelf er goed uit vinden zien of waarbij de klasgenoten vinden dat die er goed uitzien, minder kans hebben op het ontwikkelen van een eetstoornis. Daarentegen vergroot aardig gevonden worden door veel klasgenoten juist de kans op het ontwikkelen van een eetstoornis.
Bron: Blikopnieuws.nl
Fotografie: Danielle Moler




Geef een reactie