Er was een tijd dat studeren nog gewoon studeren was. Leren, proberen, fouten maken, doorgaan. Maar ergens onderweg veranderde dat. Zonder dat ik het meteen doorhad, verschoof “mijn best doen” langzaam naar “alles moet perfect”. Niet in één klap, maar stap voor stap. Eerst wilde ik slagen. Toen wilde ik het goed doen. Toen beter dan goed. En op een gegeven moment was goed ineens iets waar ik ontevreden over was geworden, alsof het zijn waarde had verloren. Alsof het nooit meer genoeg zou zijn.

elke toets was een oordeel over mij
Studiedruk werd geen externe factor meer, maar iets wat ik zelf voortdreef. Elke toets voelde als een oordeel over wie ik was, niet alleen over wat ik wist. Een zeven voelde als falen. Een acht als net oké. En zelfs een negen had altijd een randje: waarom geen tien? Ik haalde mijn zelfwaarde niet meer uit groei of inzet, maar uit cijfers en prestaties.
een leven zonder echt te leven
Mijn dagen begonnen te bestaan uit deadlines, lijstjes en een hoofd dat nooit uit stond. Ik dacht constant aan wat ik nog moest doen, wat beter kon, wat ik had laten liggen. Rust voelde als achterstand. Pauze als uitstelgedrag. Slapen als tijdverspilling. En ondertussen werd ik steeds vermoeider, niet alleen in mijn lijf, maar vooral in mijn hoofd. Ik functioneerde nog, maar ik leefde niet echt meer. Alles stond in het teken van doorgaan, volhouden, bewijzen dat ik het kon.
angst om niet te voldoen
Wat perfectionisme zo verraderlijk maakt, is dat het aan de buitenkant lijkt op motivatie. Op ambitie. Op discipline. Maar van binnen zit vaak angst. Angst om niet te voldoen. Angst om tekort te schieten. Angst om teleur te stellen. Het voelde alsof ik constant iets moest inhalen wat ik nooit precies kon benoemen. Alsof ik altijd achterliep, hoeveel ik ook deed.
met herstel kwamen ook de verwachtingen terug
Tijdens mijn eetstoornis werd dat mechanisme pijnlijk duidelijk. In het begin draaide alles om overleven. Om eten. Om mijn lichaam weer kracht geven. Verwachtingen waren klein en overzichtelijk: als ik maar at, als ik maar bleef staan. En ergens voelde dat veilig, want de lat lag eindelijk lager. Gezond worden was het enige doel. Maar juist op het moment dat eten weer vanzelfsprekend werd, dat mijn lichaam weer meedeed, kwamen de andere verwachtingen langzaam terug. Studeren. Presteren. Hoge cijfers halen. Functioneren zoals “iedereen”.
En daar was ik doodsbang voor. Niet omdat ik niet wilde herstellen, maar omdat ik bang was voor alles wat daarna weer van mij verwacht zou worden. Alsof herstel niet alleen betekende dat ik ging eten, maar dat ik ook weer moest voldoen aan een wereld vol eisen. Alsof ik niet alleen mijn lichaam moest dragen, maar ook meteen weer mijn studies, mijn toekomst, mijn prestaties. Ik was bang dat ik het niet bij zou kunnen houden. Bang dat ik zou falen op het moment dat van mij verwacht werd dat het “weer goed ging”.
alles of niets
Die druk om te presteren kwam keihard terug. Alsof er geen tussenruimte bestond tussen ziek zijn en perfect functioneren. Alsof ik niet zachtjes terug mocht keren, maar meteen weer vol gas moest meedraaien. Ik voelde opnieuw dat oude verlangen om alles onder controle te houden, om mezelf te disciplineren, om streng te zijn. Alsof controle de enige manier was om niet kopje onder te gaan.
Van de buitenkant leek het misschien alsof het goed ging. Ik studeerde. Ik haalde mijn vakken. Ik zat weer in het systeem. Maar van binnen was ik voortdurend bang om door de mand te vallen. Bang dat ik het tempo niet kon bijhouden. Bang dat iemand zou zien hoeveel moeite het kostte. Bang dat één mislukking alles zou laten instorten. Ik leefde van deadline naar deadline, van toets naar toets, hopend dat het na het volgende rapport eindelijk rustiger zou worden. Maar die rust kwam niet. Want ik had geleerd dat ‘goed’ nooit ‘goed genoeg’ is. Dat er altijd een volgende lat op me staat te wachten. Een volgende eis. Een nieuwe standaard die ik moet halen voordat ik mag ademen.
Het raakt me nu om te zien hoeveel ik van mezelf gevraagd heb. Hoe weinig ruimte ik mezelf gunde om mens te zijn in plaats van prestatiemachine. Om moe te zijn, onzeker, zoekend. Ik dacht altijd dat ik harder moest worden om het vol te houden, terwijl ik eigenlijk zachter had moeten zijn.
je hoeft jezelf niet te bewijzen
Misschien herken jij dit ook. Dat gevoel dat je altijd “aan” moet staan. Dat je pas rust mag nemen als alles af is. Dat je je waarde afmeet aan wat je levert, niet aan wie je bent. Dan wil ik dit tegen je zeggen: je hoeft jezelf niet kapot te werken om te bewijzen dat je het waard bent. Je hoeft niet perfect te zijn om recht te hebben op rust. Je hoeft niet alles onder controle te hebben om goed genoeg te zijn.
Soms is goed gewoon goed.
En soms is overleven, herstellen en blijven staan al meer dan genoeg.
Kom bij Proud2Bme gratis en anoniem in contact met lotgenoten, ervaringsdeskundigen, psychologen en diëtisten. Op ons forum kun je jouw verhaal delen en/of vragen stellen. Ook kan je dagelijks met ons chatten (de agenda vind je hier). Wij staan voor je klaar.




Geef een reactie