|
| Het meisje in mijn hoofd
‘Daar binnen in je koppie, Daar woont een heel klein meisje. Ze knabbelt aan je hersenen, Dat kleine eigenwijsje.'
Dit versje had zo kunnen staan, In een boek van Annie Schmidt, Met al die rare gekkigheid, Die ik me ooit voorlezen liet.
Maar toen ik als klein kind nog, Dit soort versjes graag verslond, Had ik nóóit kunnen voorspellen, Dat één zo'n meisje écht bestond. Het is geen aardig wezentje, Als pinkeltje of wiplala, Maar een boze en gemene heks, Haar naam is Anorexia.
Ze is woester en gemener, Dan elke heks of tovenaar. Ze vertelt je kwade dingen, En jij neemt die aan voor waar.
Ze doet zich voor als aardig meisje, En helpt jou bij jouw doel, Om dun en slank te worden, Want dat geeft zo'n goed gevoel.
Ze is je steun en toeverlaat, Een echte hartsvriendin, Maar dan wordt ze steeds kwader, En luist ze je erin!
Ze blijft je maar belagen, Ze dreigt, ze raast, ze gilt. Ze laat je rare dingen doen, Die je eigenlijk niet wilt.
‘Je moet niet zoveel eten, zegt ze met een kwade blik, Er moeten veel meer kilo's af, Je bent echt véél te dik!'
‘Je bent lelijk, lelijk, lelijk! Kijk dan in de spiegel, kind Er is niemand, niemand, niemand, Die jou de moeite vindt!'
Enkel dit soort zinnen, Komen uit haar kwade mond. Ze beledigt en kleineert je, En ze stampt je in de grond.
Zo grijpt heks Anorexia, De kwade toverkol, Voortdurend jonge meisjes, En ze sleurt ze naar haar hol.
Allemaal mooie meiden, Aan wie zij de wet voorschrijft, En dieper in de afgrond schopt, Of zelfs de dood in drijft.
Het zojuist vertelde sprookje, Is een waargebeurd verhaal. Zoiets gruwelijks verzint niemand, Zelfs niet Roald Dahl...
Maar wat bij alle sprookjes hoort, Dat is een happy end. De held verslaat de slechterik, Zo gaat dat consequent.
Ook Ana de heks is te verslaan, Al is het een zware strijd. Die heel veel moed en wilskracht vraagt, En tranen, pijn en tijd.
Dus spreek haar tegen, schop en schreeuw, En duw en bijt haar nukkig. Zodat zij snel de benen neemt, En leef nog lang en gelukkig! |