|
| Omdat ik het kan
‘Waar begin je aan?' zucht mijn beste vriendin. Ik haal mijn schouders op. ‘Iemand moet het toch doen?' ‘Ja, helemaal mee eens. Maar waarom zou je jezelf zo tot het uiterste drijven?' ‘Omdat ik het kan.'
Ik moet er zelf om lachen.
Ongeveer de strekking van de eerste keer dat ik iemand in mijn nabije omgeving vertelde dat ik een documentaire over Anorexia zou gaan maken. Een documentaire die anders zou worden dan alles wat we al hadden gezien. Maar mijn beste vriendin had gelijk: waarom zou ik mezelf dit aandoen? Goed, ik heb meerdere heftige projecten gedaan, maar dit kwam wel heel dichtbij. Anorexia heeft namelijk zo'n tien jaar van mijn leven verwoest. En erover praten? Dat was me nog nooit gelukt.
Mijn doel was om te laten zien wat Anorexia Nervosa nou écht is. Hoe lelijk, gemeen en gevaarlijk deze ziekte -die niemand wil krijgen- nu eigenlijk is. Dat je geen Anorexia krijgt zoals je een kou kunt vatten, dat het geen ziekte is die je via internet krijgt. Nee, ik wilde laten zien hoe levensgevaarlijk een eetstoornis is. Maar waar begin je dan? Ik ben eerst de klinieken gaan benaderen voor medewerking. Dat waren moeilijke gesprekken. Niet omdat ik met allemaal artsen en geleerden zat te praten, maar omdat ik twee jasjes aanhad. Een jasje waarop stond ‘producent' en een jasje waarop stond ‘ex-patient'. Als je die twee woorden snel na elkaar uitspreekt lijken ze wel een beetje op elkaar. In de harde werkelijkheid zitten er járen van ellende tussen.
De eerste keer dat ik op de parkeerplaats van het Centrum voor Eetstoornissen Ursula stond, greep het me naar mijn keel. Ik merkte direct hoe ik mezelf had vergaloppeerd. Hier wilde ik helemaal niet zijn. Het klamme zweet brak me uit, maar ik ben geen opgever. Opgeven is geen optie. En dus stapte ik op mijn hoge hakken en met mijn neus in de lucht naar binnen. Eenmaal weer terug in de auto wist ik niet of ik nou moest lachen of huilen. Feit was wel dat de directie van de Ursula vierkant achter mijn initiatief stond. En dat was fijn. Toch moest ik huilen.
Vele klinieken, ziekenhuizen en instanties volgden. Allemaal besloten ze mee te werken aan wat ik steeds ‘het meest unieke document over eetstoornissen' noemde. Uiteindelijk natuurlijk ook de gesprekken met alle hoofdrolspelers. Dat was moeilijk. Vooral voor hen, want ik was toch die journalist die alles wilde weten. Ik heb ze eerst voorzichtig via e-mail benaderd met de hulp van Scarlet Hemkes (toen nog beheerder van Stop-pro-ana-hyves en sinds kort een van de trotse initiatiefnemers van Proud2Bme). Samen hebben we gekeken naar wie ik graag in het programma zou willen hebben en wie het zou aankunnen, want het is niet niets. Ik kende Scarlet omdat ik haar ooit eens in mijn programma Goedemorgen Nederland, waar ik toen eindredacteur was, had uitgenodigd. Samen met Sabine Uitslag pleitte ze toen voor begrip voor de ernst van Pro-Ana sites. Dat vond ik heel stoer, die twee meiden die daar zaten en eigenlijk met hun vuist op tafel sloegen.
Heel voorzichtig zocht ik toenadering tot de meisjes waarvan ik uiteindelijk dacht dat ze het zouden kunnen. De media zijn niet altijd de beste vriend van deze meiden geweest, mede doordat ze juist daarin vaak als zielige meisjes worden neergezet. Dat is nou net wat ik niet wilde. Mijn voorsprong was dan weer wel dat ik het zelf heb meegemaakt en het besluit had genomen mijn ervaring in te zetten.
Sommige meisjes zaten nog niet eens in het proces van praten, dus daar moest ik flink aan trekken. Bovendien hadden ze snel door dat ze me niet makkelijk voor de gek konden houden. Uiteindelijk hebben ze allemaal de moedige beslissing genomen om zich te laten filmen tijdens hun strijd. Een beslissing waarvan ik niet in woorden kan uitdrukken hoe ongelooflijk stoer ik die vind.
Ik wil een aantal mensen in het bijzonder bedanken voor hun ongelooflijke bijdrage aan deze documentaire, in willekeurige volgorde: Joyce, Josje, Meta, Robert, Scarlet, Melanie, Tessa, Marieke, Denise, Steffany, Bodil, Esther,Sabine, Christine, Claire, Sigrid, Dounia, Doke en Marjella. Daarnaast natuurlijk alle klinieken die hun deuren onvoorwaardelijk hebben geopend en alle artsen en hulpverleners die zich inzetten om deze meiden uit de ellende te trekken.
Door alle betrokkenen is de film een waardevol document geworden voor meiden die het overkomt, ouders die ermee te maken krijgen en artsen die ze zullen (gaan) behandelen. Zonder gebruik te maken van de voor de hand liggende elementen als kilo's, weegschalen en spiegels krijgt de kijker een uniek kijkje binnenin deze verschrikkelijke ziekte, die eerst je lichaam maar daarna vooral ook je geest en karakter aantast. Het goede nieuws is echter: je kunt eruit komen. Ik zeg het vaak tegen de meiden: Het is zoveel leuker aan de overkant. Ik hoop dat ik hen, en de mensen die het gaan bekijken, enigszins heb geïnspireerd om toch vooral je dromen na te jagen.
Laatst vroeg een journalist aan mij: ‘Hoe lang ben je eigenlijk met deze productie bezig geweest?' Ik grapte: ‘Dertien jaar.' Eigenlijk is er niks van gelogen. Ik had het niet een jaar eerder kunnen maken, want dan was ik halverwege gestopt. Het was de perfecte timing met het perfecte team aan meiden. Uiteindelijk ben ik er 7 maanden lang 7 dagen per week mee bezig geweest, gelukkig gesterkt door mijn filmploeg en vrienden. Met deze film hopen we meerdere statements te maken. Als eerst dat er nu verdorrie eens een keer naar die meiden geluisterd moet worden. Ten tweede dat de zorg tekort schiet en dat dat vooral met geld en mogelijkheden te maken heeft, niet met inzet. En uiteindelijk hoop ik mezelf ook iets bewezen te hebben. Het antwoord op de vraag waarom ik mezelf dit heb aangedaan.
‘Omdat ik het kan.'
 |